Het Tarwe-edict uit 1420.

Om de storting tarwe in een lambikbrouwsel historisch te duiden, wordt doorgaans verwezen naar twee oude documenten. De brouwordonnantie uit Halle uit 1559, die reeds het onderwerp uitmaakte van een vorig artikel, is zonder twijfel het meest verspreid. Het tweede document is een edict uit 1420, waarbij Hertog Jan IV de Brabantse brouwers zou hebben verplicht om de storting tarwe in hun brouwsels te verhogen. Op de webstek van HORAL gaat het verhaal als volgt:

“Reeds in 1420 vaardigde Jan IV, hertog van Brabant, een edict uit met als doel de kwaliteit van de Brabantse bieren te verbeteren. Als middel daartoe verplichtte hij het aandeel tarwe in de totale storting te verhogen.”                                       (HORAL 15.04.2014)

Van legende tot wet.

In tegenstelling tot het brouwvoorschrift uit Halle, wordt de integrale tekst van het edict of een afbeelding van het document in geen van de belangrijkste werken over de geschiedenis van de lambik weergegeven. Maar een analyse van wat er in diezelfde werken over hertog Jan IV en zijn bijdrage tot de ontwikkeling van de Brabantse bieren werd neergeschreven, levert  een vreemd resultaat op. Het verhaal heeft doorheen de tijd een merkwaardig parcours afgelegd, zo blijkt. Daar waar de hertog oorspronkelijk opduikt in een legende om de naam ‘lambik’ te verklaren, wordt hij meer recent vermeld als auteur van een brouwvoorschrift dat op alle Brabantse bieren van toepassing was.

Voor zover kon worden nagegaan, begint het verhaal van het tarwe-edict bij de Belgische historicus Godefroid Kurth (1847-1916) die in een nog niet geïdentificeerd werk het volgende over hertog Jan IV van Brabant schreef:

“Toujours est-il que, fatigué de boire perpétuellement de la cervoise, il [hertog Jan IV] lui vint un jour l’idée de faire macérer et bouillir de l’orge et du houblon dans un alambic: l’expérience réussit et cette bière nouveau système fut baptisée ‘lambic’ en souvenir dans lequel on avait fait la première cuvée.“

Uit welk werk van Kurth deze passage over de oorsprong van de lambik komt, is niet meteen duidelijk. Het citaat is ons bekend dankzij brouwingenieur Paul Van Cauwenberge, die het aanhaalt in zijn artikel over het Brusselse bier dat in 1928 in Le Petit Journal du Brasseur verschijnt. Van Cauwenberge heeft daarbij nagelaten om een degelijke bronvermelding toe te voegen, zodat het niet evident is om te achterhalen in welk van zijn vele artikels en boeken Godefroid Kurth het verhaal neerschreef.

Bier uit een alambiek.

Het hoeft echter weinig betoog dat het bovenstaande citaat van Kurth eerder als legende dient aanzien. Volgens het verhaal zou Hertog Jan IV dus op zeker ogenblik opdracht hebben gegeven om een beslag van gerst (!) en hop te bereiden en te koken in een alambiek. Het nieuwe bier viel bijzonder in de smaak en werd prompt lambik genoemd naar het recipiënt waarin het voor het eerst werd gebrouwen. Kurth vertelt verder nog dat de stad Brussel de hertog op passende wijze huldigde voor deze belangrijke bijdrage aan de faam van de stad. Zijn portret kreeg een plaats in de vernieuwde militiezaal van het stadhuis. De hertogelijke inmenging bij het ontstaan van het roemrijke bier moest, nog steeds volgens Kurth, ook verklaren waarom er in de stad herbergen met namen zoals “Au Duc Jean” of “Au Duc de Brabant” voorkwamen.

Het is opmerkelijk dat in het citaat helemaal geen sprake is van tarwe! Kurth lijkt eerder de nadruk te willen leggen op de hop, aangezien cervoise in een historische context als gruitbier wordt aanzien. Het verhaal van hertog Jan IV wordt dus in eerste instantie aangehaald om de naam ‘lambik’ te verklaren en niet om de aanwezigheid van de tarwe te duiden.

Na Van Cauwenberge in 1928, halen onder meer ook T. Delplancq (1995) en J. De Keersmaecker (1996) het verhaal in de hoedanigheid van de naamsverklaring voor lambik aan. Ze vermelden daarbij allen het jaar 1428, wat echter nooit correct kan zijn. Hertog Jan IV van Brabant was een jaar eerder al overleden. Hij was amper 23.

Tarwe.

In het boek Het Mysterie van de Geuze uit 1992 van de hand van Jos Cels, krijgt het verhaal van hertog Jan IV een andere wending. Er is geen sprake meer van de alambiek waarin het nieuwe bier werd bereid en ook de naamsverklaring komt niet meer aan bod. Cels heeft het daarentegen over een verplichting om meer tarwe te gebruiken:

“In een van zijn minder bekende werken “Qu’est-ce que le moyen-age?” schreef de Belgische historicus Godefroid Kurth, die in 1916 te Asse overleed, dat een bier, dat later lambik werd genoemd, in 1420 volgens een nieuw procedé gebrouwen werd in opdracht van Jan IV, Hertog van Brabant. Door de verplichting meer tarwe te storten, werd het brouwproces vertraagd waardoor het bier kwalitatief verbeterde.”

Cels haalt onmiskenbaar ook zijn inspiratie bij historicus Godefroid Kurth. Maar waarom hij plots tarwe bij het verhaal betrekt is niet meteen duidelijk. Zoals uit het voorgaande blijkt, had Kurth het enkel over gerst en hop, maar niet over tarwe. Ook het aangehaalde werk blijkt niet te kloppen. Qu’est-ce que le moyen-age is de tekst van een lezing die Kurth in 1897 in Freiburg (Zwitserland) gaf. Het is maar een dun boekje van om en bij de 60 bladzijden. ‘Hertog Jan IV van Brabant’, ‘bier’ of ‘tarwe’ komen er alleszins niet in voor.

Het tarwe-edict.

In de brochure van de Provincie Vlaams-Brabant Het Pajottenland en de Zennevallei bakermat van Lambi(e)k en Geuze uit 2000, wordt de inmenging van de hertog van Brabant niet langer beperkt tot de kwaliteit van de lambik. Auteur Jef Van den Steen sluit zich aan bij de verplichte storting tarwe  maar verwijst daarvoor naar een edict dat van toepassing was op alle Brabantse bieren.

“Reeds in 1420 vaardigde Jan IV, hertog van Brabant, een edict uit met als doel de kwaliteit van de Brabantse bieren te verbeteren. Hij zag als middel daartoe: de verhoging van het aandeel van tarwe in de totaliteit van de storting.”

Datzelfde citaat vinden we dus ook terug op de website van HORAL.

Op zoek naar het edict.

De voorgaande literatuurstudie verontrust mij toch enigszins over de ware toedracht van Hertog Jan IV en de Brabantse brouwsels. Welk historisch feit ligt aan de basis van het verhaal? Waarover gaat het edict uit 1420 nu precies? En bestaat de hertogelijke oorkonde überhaupt wel? De voornoemde werken geven in hun bronvermelding in ieder geval geen rechtstreekse referentie naar het oorspronkelijke document.

Hoewel archiefstukken op vrij onverwachte plaatsen kunnen opduiken, is dat doorgaans niet de regel. Een edict dat door een centraal bestuur werd uitgevaardigd en dat van toepassing was op alle Brabantse brouwsels, was in ieder geval geen vodje papier. Mediëvist André Uyttebrouck heeft de oorkonden die hertog Jan IV tijdens zijn korte regeerperiode afkondigde intensief bestudeerd. Hij verzamelde daarbij 198 stukken uit zeer verschillende archieven, maar maakte in zijn beschrijvingen geen melding van een centraal uitgevaardigd edict dat de storting tarwe in de Brabantse brouwsels vastlegde.

Bevindt het document zich dan in een archieffonds dat Uyttebrouck niet bij zijn onderzoek betrok? Wie er over weet of over een afschrift van het edict beschikt mag dat zeker laten weten via de CONTACTpagina. Wordt dus hopelijk vervolgd.

© http://www.lambik1801.be

Citaten:

KURTH […]

Le fils d’Antoine de Bourgogne, Jean IV, par son mariage avec Jacqueline de Bavière, réunit au duché que lui avait légué son père les comtés de Hainaut, de Hollande et de Zélande avec la seigneurie de Frise. Il pouvait sembler que ce serait le privilège de la Maison de Bourgogne de réaliser l’unification de la Belgique : il n’en fut rien.

A la tête du plus fort domaine que jamais prince belge eût possédé, Jean IV se montra d’une incapacité flagrante. Il se brouilla avec sa femme qui finit par le quitter, et son règne ne vaudrait pas même d’être mentionné dans l’histoire s’il n’avait pas eu le mérite de fonder la célèbre Université de Louvain. Le fondateur de l’Alma Mater fut en même temps l’inventeur de notre bière nationale. Sans doute, ce prince aux idées bourgeoises n’avait-il pas de hautes visées politiques et préférait-il les plaisirs jordaenesques aux passe-temps héroïques. Toujours est-il que, fatigué de boire perpétuellement de la cervoise, il lui vint un jour l’idée de faire macérer et bouillir de l’orge et du houblon dans un alambic : l’expérience réussit et cette bière nouveau système fut baptisée « lambic » en souvenir du récipient dans lequel on avait fait la première cuvée.

La bonne ville de Bruxelles a consacré la réputation du créateur du lambic et le représentant, un fourquet à la main , sur un panneau décorant la Salle des Milices à l’Hôtel de Ville. Ce n’est pas tout : les vieux cabarets à Bruxelles ont pris comme enseigne « Au duc Jean » ou « Au duc de Brabant », ce qui prouve que la brasserie outre qu’elle enrichit son homme, lui procure, par-dessus le marché, une gloire impérissable.

[CELS 1994 p.17]

In een van zijn minder bekende werken “Qu’est-ce que le moyen-age?” schreef de Belgische historicus Godefroid Kurth, die in 1916 te Asse overleed, dat een bier, dat later lambik werd genoemd, in 1420 volgens een nieuw procedé gebrouwen werd in opdracht van Jan IV, Hertog van Brabant. Door de verplichting meer tarwe te storten, werd het brouwproces vertraagd waardoor het bier kwalitatief verbeterde. Benevens deze “regeringsdaad” had de levensgenieter Jan IV slechts één verdienste: hij was namelijk de stichter van de Katholieke Universiteit van Leuven, die in 1426 werd geopend. Voor de rest mag men hem in het politiek gebeuren van de vijftiende eeuw volledig vergeten. Alleen de Stad Brussel vereeuwigde hem. In de Militiezaal van het stadhuis hangt inderdaad het geschilderd portret van Jan IV, Hertog van Brabant, met een roerstok in de hand.

[VAN DEN STEEN 2000 p.10]

Reeds in 1420 vaardigde Jan IV, hertog van Brabant, een edict uit met als doel de kwaliteit van de Brabantse bieren te verbeteren. Hij zag als middel daartoe: de verhoging van het aandeel van tarwe in de totaliteit van de storting.

[VAN DEN STEEN 2006 p.17]

In hun streven naar het verkrijgen van een bier met een zeker bewaarpotentieel, plachten de brouwers reeds voor 1420 een gedeelte van het brouwgraan te vervangen door – weliswaar – dure tarwe. Uit ondervinding wisten zij dat tarwe de houdbaarheid van het bier verbeterde. Maar vanaf dat jaar werden de Brabantse brouwers door hertog Jan IV bij edict verplicht het percentage tarwe te verhogen. Welke de beweegredenen van de hertog waren, valt niet meer te achterhalen. Maar een verbetering van de kwaliteit van het bier kwam niet alleen de brouwers en de bevolking ten goede. Jan IV was een losbandig man en een nog slechter staatsman dan echtgenoot, maar de bieraccijns en het gruitgeld kwam tenslotte althans gedeeltelijk in zijn beurs terecht.

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .